Hof 's-Hertogenbosch 28 april 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BI4041

Bij de beantwoording van de vraag of [bewindvoerder] onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [Y. c.s.] door de huurovereenkomst tot 1 mei 2006 voort te zetten, stelt het hof voorop dat, voor zover [Y. c.s.] schade zou hebben geleden ten gevolge van de voortzetting van de huurovereenkomst, deze schade alleen zou bestaan uit de gederfde huur over april 2006. Immers, de huur over de maanden januari 2006 tot en met maart 2006 was aan [X.] in rekening gebracht in december 2006 en betreft een opeisbare verplichting die reeds was ontstaan vóór de toepassing van de voorlopige schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] en derhalve ter verificatie dient te worden ingediend. Daarnaast was [X.] ten gevolge van de beëindiging van de huurovereenkomst per 1 mei 2006 met ingang van die datum geen huur meer verschuldigd aan [Y. c.s.] Het hof neemt voorts ter beantwoording van voornoemde vraag het navolgende in aanmerking. [Y. c.s.] hebben ter onder- bouwing van het door hen gestelde onzorgvuldig handelen van [bewindvoerder] aangevoerd dat er nog andere kandidaten voor de huur van de ruimte waren, te weten de heren [C.] en [D.], alsmede Café Chique, die de betreffende ruimte meteen wilden huren voor een acceptabele huurprijs en die bereid waren om een hoger bedrag te betalen voor de inventaris van de onderneming van [X.] dan het bedrag dat [bewindvoerder] met de opvolgend huurder [B.] is overeengekomen (€ 40.000,-). Tijdens het pleidooi in hoger beroep is evenwel vast komen te staan dat voornoemde kandidaten weliswaar [Y. c.s.] een concreet aanbod hebben gedaan ter zake van de huur, maar dat zij hen geen concreet aanbod hebben gedaan ter zake van de overname van de inventaris, omdat het aan [bewindvoerder] was om hierover te onderhandelen en te beslissen. [bewindvoerder] heeft betwist dat hij van de heren [C.] en [D.], dan wel Café Chique enig bod op de inventaris heeft ontvangen. Dat de heren [C.] en [D.] [bewindvoerder] geen concreet bod hebben gedaan, wordt bevestigd in de brief van [bewindvoerder] aan Wagemans q.q. van 3 maart 2006, waarvan de inhoud niet door [Y. c.s.] is betwist. Mede ten behoeve van de crediteuren van [X.], waaronder [Y. c.s.], had [bewindvoerder] er een gerechtvaardigd belang bij dat de huur van de betreffende ruimte werd voortgezet door een huurder die tevens de in die ruimte aanwezige inventaris van de onderneming van [X.] overnam. Nu niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een concreet bod door de heren [C.] en [D.] dan wel Café Chique op de inventaris, was [bewindvoerder] naar het oordeel van het hof niet gehouden om in te stemmen met het voorstel van Wagemakers c.s. van 13 januari 2006 tot onmiddellijke beëindiging van de huurovereenkomst tussen [Y. c.s.] en [X.]. [Y. c.s.] hebben weliswaar bewijs aangeboden, maar dit bewijsaanbod heeft slechts betrekking op de aanwezigheid van andere kandidaten voor de huur van de bedrijfsruimte en de overname van de inventaris en niet op een kennisname van [bewindvoerder] van een concreet bod op de inventaris. Het hof overweegt voorts dat [Y. c.s.] het bovendien zelf in de hand hebben gehad dat de huurovereenkomst met de nieuwe huurder, Puur Smaak, pas per 1 mei 2006 is ingegaan en niet per 1 april 2006. [bewindvoerder] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep onweersproken verklaard dat hij met [B.] eind maart 2006 overeenstemming heeft bereikt over de overname van de inventaris en dat wat hem betrof de huurovereenkomst tussen [Y. c.s.] en [X.] reeds per 1 april 2006 kon worden beëindigd, zodat de huurovereenkomst tussen [Y. c.s.] en Puur Smaak per diezelfde datum kon ingaan. De omstandigheid dat [Y. c.s.] de tijd wilden nemen om de gegoedheid van [B.] als huurder na te trekken en dat zij nog met hem wilden onderhandelen over de te betalen huur, dient naar het oordeel van het hof voor hun rekening en risico te blijven. Dit geldt temeer, nu [bewindvoerder] hen reeds bij brief van 17 maart 2006 heeft bericht dat hij zich met [B.] in de afsluitende fase van de onderhandelingen omtrent de overname van de inventaris bevond en dat [B.] bij overeenstemming over de inventaris per omgaande zou willen huren. Uit voornoemde brief is tevens af te leiden dat [Y. c.s.] destijds al met [B.] in overleg waren getreden over de huur van de ruimte. Onder bovengenoemde omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat [bewindvoerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [Y. c.s.] door de huurovereenkomst tussen [Y. c.s.] en [X.] te laten voortduren tot 1 mei 2006.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen