Hof 's-Hertogenbosch 11 december 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC2074
In de hypotheekakte is ten behoeve van de hypotheekhouder een beheerbeding en een ontruimingsbeding als bedoeld in art. 3:267 BW opgenomen. Met betrekking tot het beheerbeding is een rechterlijke machtiging verleend. De hypotheekhouder wil executeren. Hof: voor het "onder zich nemen" als bedoeld in art. 3:267 BW is pas plaats zodra de hypotheekhouder voornemens is om over te gaan tot parate executieverkoop van het onderpand ex art. 3:268 BW en daarvan blijk heeft gegeven door aanzegging van de executie conform art. 544 e.v. Rv. Ook indien deze fase van uitwinning is ingetreden, ligt bovendien in het woord "vereist" besloten dat er dringende redenen voor de hypotheekhouder aanwezig moeten zijn om de hypotheekgever diens gebruiksrecht op een eerder tijdstip te ontnemen dan waarop het normaal gesproken eindigt, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de hypotheekgever zijn eigendomsrecht verliest, dus bij de levering van het onderpand aan de koper ter uitvoering van de eenmaal verrichte executieverkoop. Daarenboven heeft het ontruimingsbeding, mits uitdrukkelijk gemaakt in de hypotheekakte en als onderdeel daarvan ingeschreven in de openbare registers, naar het oordeel van het hof uitsluitend werking tussen de bij de hypotheekakte betrokken partijen, de hypotheekhouder enerzijds en de hypotheekgever(en diens rechtsopvolgers) anderzijds, en niet tegen derden, zoals huurders.
De uitspraak op rechtspraak.nl