Hof 's-Hertogenbosch 26 september 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0094
In zijn arresten van 1 december 2006, nummers 40 369, LJN: AU7741 en 40 518, LJN AZ3355, heeft de Hoge Raad overwogen dat voor bestuursrechtelijke fiscale vergrijpboeten de mogelijkheid van toerekening van opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige aan de belastingplichtige moet worden uitgesloten. De Hoge Raad heeft daaraan toegevoegd dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan, aldus de Hoge Raad, van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Naar het oordeel van het Hof hebben de hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad ook te gelden voor toerekening van opzet of grove schuld aan een inhoudingsplichtige en geldt de door de Hoge Raad geformuleerde zorgvuldigheidstoets ook ten aanzien van anderen dan adviseurs aan wie de inhoudingsplichtige of belastingplichtige werkzaamheden heeft overgelaten of toevertrouwd. In het onderhavige geval heeft belanghebbende het openen, verwerken en opbergen van haar bankafschriften niet zelf verricht en heeft zij ook niet een ander opdracht daartoe gegeven. De heer B, werknemer van een dochtermaatschappij van belanghebbende, heeft deze taken, kennelijk uit eigen beweging, op zich genomen. De heer B heeft de problemen die rezen aangaande de betaling van de onderhavige dividendbelasting aanvankelijk niet met de directeur van belanghebbende besproken. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onzorgvuldig gehandeld doordat haar directie zelf geen aandacht schonk aan het verwerken van bankafschriften en het volgen van daaruit blijkende door haar gegeven betalingsopdrachten en doordat de directie daaromtrent ook geen duidelijke opdracht aan een ander had gegeven. Als gevolg hiervan kon de heer B, die de hiervoor bedoelde werkzaamheden eigener beweging uitvoerde, buiten het zicht van de directie de problemen aangaande de betaling van dividendbelasting in behandeling nemen op een wijze die ertoe heeft geleid dat de belasting niet tijdig werd betaald. Dit niet zorgvuldig uitvoeren van haar taken levert naar het oordeel van het Hof grove schuld van belanghebbende op ter zake van het niet tijdig betalen van de verschuldigde dividendbelasting. Het gaat evenwel te ver om, zoals de Inspecteur bepleit, belanghebbende te dezer zake (voorwaardelijk) opzet te verwijten. Niet bewezen is immers dat belanghebbende wist dat de verschuldigde belasting niet tijdig was betaald en evenmin is komen vast te staan dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans op niet tijdige betaling heeft aanvaard. Wel bewezen is dat belanghebbende ernstig tekort geschoten is in de van een ondernemer te verlangen zorgvuldigheid op het gebied van het zelf zorgdragen voor een juiste en tijdige betaling van haar belastingschulden dan wel de toedeling van administratieve taken dienaangaande en het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van die taken. Deze tekortkoming is naar het oordeel zo ernstig dat de kwalificatie grove schuld op zijn plaats is.
De uitspraak op rechtspraak.nl