Hof 's-Hertogenbosch 6 december 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:BA2033
Belanghebbende, geboren op 8 februari 1962, heeft de Nederlandse nationaliteit en is het gehele jaar 2002 met haar echtgenoot woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS). Belanghebbendes echtgenoot is door zijn Nederlandse werkgever uitgezonden naar de VS. Op grond van de detacheringregeling in artikel 9 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, Trb. 1987, 202, (hierna: het Verdrag) blijft hij in 2002 onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving vallen. Deze detacheringregeling werkt door naar de vergezellende echtgenote, zodat ook belanghebbende in 2002 verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Belanghebbende heeft in 2002 geen arbeidsinkomsten genoten. Wel heeft zij in haar aangifte inkomstenbelasting 2002 de gedeelde eigendom van een onroerende zaak in Nederland aangegeven naar een gemiddelde rendementsgrondslag van € 54.868,=. Op grond daarvan heeft zij in 2002 enkel inkomsten uit sparen en beleggen (box III) in de zin van artikel 7.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001). Dit leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland van € 2.194,= en een bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting van € 658,=. Haar echtgenoot heeft hetzelfde gerapporteerd in zijn aangifte inkomstenbelasting 2002. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: Dient het premiedeel van de algemene heffingskorting dat na verrekening met de verschuldigde inkomstenbelasting resteert middels een negatieve aanslag aan belanghebbende te worden uitbetaald op grond van artikel 8.9 van de Wet IB 2001?
De uitspraak op rechtspraak.nl