Hof 's-Hertogenbosch 26 april 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY0296

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: - Kan belanghebbende worden aangemerkt als pleegkind als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Successiewet 1956? - Zo nee, is deze bepaling in strijd met artikel 8 EVRM? Belanghebbende stelt dat de schenker - als jongste van de ooms en tante - als pleegouder moet worden aangemerkt, in welk verband belanghebbende tevens een beroep doet op het zogenoemde opvolgend pleegouderschap. Naar het oordeel van het hof mist deze stelling feitelijke grondslag, nu de in 2.6 weergegeven gezamenlijke verklaring van belanghebbende, haar twee ooms en haar tante daarvan duidelijk afwijkt. In die verklaring worden de heer C als gezinshoofd en mevrouw E als duidelijke moederfiguur omschreven, terwijl de schenker blijkbaar slechts een bijkomstige rol als mede-opvoeder had. Het hof merkt op dat die verklaring van (omstreeks) 1978 is en belanghebbende in 1963 de eenentwintigjarige leeftijd heeft bereikt. Het hof acht onaannemelijk dat de schenker in weerwil van die gezamenlijke verklaring in de periode van 1944 tot 12 augustus 1963 als gezinshoofd en daarmee als (eventueel opvolgend) pleegouder heeft gefungeerd, die belanghebbende gedurende ten minste vijf jaren als eigen kind heeft onderhouden en opgevoed. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld, maakt zij ook overigens niet aannemelijk dat de schenker als pleegouder moet worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen