Hof 's-Hertogenbosch 8 maart 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AW1631

Het hof is van oordeel dat de strekking van enerzijds het economische delict art. 82, eerste lid, Wtk 1992 en anderzijds de commune delicten art. 326 en 321 Sr verschillend is. Hieraan doet niet af dat in beide gevallen het motief speelt van bescherming van crediteuren, nu dit motief op verschillende niveaus speelt (enerzijds: algemeen en ter bevordering van de adequate werking van de financiële sector en anderzijds: individueel). Reeds vanwege deze verschillende strekking kan niet worden gesproken van "hetzelfde feit". Het hof is verder van oordeel dat de ten laste gelegde oplichtings- en verduisteringshandelingen, gepleegd in de periode waarin de verdachte - in strijd met art. 82, eerste lid, Wtk 1992 - werkzaam was als kredietinstelling, wat betreft het handelen en de schuld van de verdachte niet zodanig wezenlijk samenhangen met dat handelen in strijd met art. 82, eerste lid, Wtk 1992, dat zij kunnen worden aangemerkt als 'hetzelfde feit" als de overtreding van art. 82, eerste lid Wtk 1992. De bestuurlijke boete is derhalve niet opgelegd voor hetzelfde feit als waarvoor de verdachte thans wordt vervolgd. Dientengevolge staat art. 90j, tweede lid, Wtk 1992 niet in de weg aan de strafvervolging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen