Hof 's-Hertogenbosch 4 oktober 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5139

Afkoop van pensioenrechten. Naar huidig recht is een overeenkomst tot afkoop van pensioenrechten nietig wegens strijd met het afkoopverbod in artikel 32 lid 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Dit afkoopverbod is in de wet opgenomen bij wetswijziging d.d. 13 december 1972 Stb 774, inwerkingtreding 9 februari 1973, dus ná het sluiten van de overeenkomst omtrent de omscholingstoelage in 1965. Dit neemt niet weg dat er voor het AMF ook in 1965 wel degelijk een afkoopverbod gold. Op grond van artikel 4, lid 1, PSW - zoals dit artikel in 1965 luidde - was (wijziging van) het reglement van een pensioenfonds onderworpen aan de goedkeuring van de Minster van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Door het AMF is aan die eisen voldaan door opneming in haar reglement van de artikelen 66 lid 8 en 132 lid 2. Het voorgaande betekent dat het AMF, door in 1965 te besluiten met [geïntimeerde] een overeenkomst aan te gaan waarbij opgebouwde pensioenrechten zoals in de verklaring d.d. 5 oktober 1965 omschreven, werden afgekocht, in strijd handelde met haar eigen reglement. Naar huidig recht leidt deze strijdigheid met het AMF-reglement niet tot nietigheid van de overeenkomst of van het van het besluit van het AMF. Of dit ingevolge het in 1965 geldende recht wél zo was kan, gelet op het bepaalde in de artikelen 80 en 81 overgangswet NBW in het midden blijven. Vernietiging van de overeenkomst wegens strijd met het AMF-reglement is door [geïntimeerde] niet gevorderd. Het hof is echter, op grond van de omstandigheden die in deze procedure naar voren zijn gebracht, van oordeel dat aan het AMF ingevolge het bepaalde in artikel 6:248 BW (welke bepaling ingevolge artikel 68a overgangswet NBW onmiddellijke werking heeft) geen beroep toekomt op de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst van 1965, waartoe het volgende wordt overwogen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen