Hof 's-Hertogenbosch 5 oktober 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AS3995

Belanghebbende is professioneel sporter van beroep. Op 3 januari 1999 heeft belanghebbende een verzoek om vrijstelling van belasting voor verhuisgoederen ingediend, en daarbij in het aanvraagformulier aangegeven dat die goederen werden overgebracht in verband met de overbrenging van zijn normale verblijfplaats naar Nederland. Tot de verhuisgoederen behoorden twee personenauto's. Belanghebbende heeft vraag 7c van het aanvraagformulier: 'Is tijdens het verblijf in het buitenland woonruimte in Nederland aangehouden en zo ja, waar?' ontkennend beantwoord. Bij beschikking van 17 februari 1999 heeft de Inspecteur onder nummer 3 een 'vergunning vrijstelling van BPM bij overbrenging' voor de personenauto afgegeven. Met gebruikmaking van de vergunning heeft belanghebbende de personenauto op 18 februari 1999 ter registratie aangegeven bij de douanepost Y. De vergunning laat - buiten de gevallen van overtreding van de daarin genoemde voorwaarden, hetgeen hier niet aan de orde is - niet toe dat van de vergunninghouder BPM wordt geheven. Wenst de Inspecteur daartoe toch over te gaan, dan zal hij eerst de vergunning moeten intrekken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen