Hof 's-Hertogenbosch 15 oktober 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR3975
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte als gediplomeerd turnleraar/-trainer gedurende een reeks van jaren vrijwel dagelijks turntraining gaf aan een groot aantal pupillen. Gelet op de samenhang, frequentie en duurzaamheid van verdachtes activiteiten binnen de in de bewezenverklaring genoemde turnverenigingen, alsmede gelet op zijn ondergeschiktheid aan de besturen van die verenigingen, concludeert het hof dat de bewezenverklaarde feiten door de verdachte zijn gepleegd tijdens de uitoefening van zijn beroep van turnleraar/-trainer. Van de zijde van de verdachte is hier tegenin gebracht dat hij voor zijn werkzaamheden geen bezoldiging, doch slechts een onkostenvergoeding ontving. Deze omstandigheid doet naar het oordeel van het hof aan zijn voormelde conclusie niets af, nu een bezigheid die als beroep wordt uitgeoefend, het beroepsmatig karakter niet verliest wanneer de activiteit om niet of, zoals in dit geval, tegen vergoeding van onkosten, wordt verricht. De stelling van de verdachte - daargelaten de juistheid daarvan -, dat hij als gevolg van de onderhavige strafzaak, in de turnwereld so wie so als trainer geen voet meer aan de grond zal krijgen, weerhoudt het hof er niet van de bijkomende straf op te leggen, nu van deze straf naar het oordeel van het hof een speciaal preventieve werking uitgaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl