Hof 's-Hertogenbosch 14 oktober 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9038
Inderdaad kan ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW ieder der deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, zodat in dat geval verjaring niet aan de orde kan zijn. De onderhavige vordering van de man kan niet worden gegrond op verdeling van een goed (schuld) uit de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen waren gehuwd. Ingevolge artikel 1:103 lid 2 BW is het deel van de gemeenschap waarvan afstand is gedaan (in casu het deel van de vrouw, waaronder de schuld aan de RVS), aangewast bij het deel van de andere echtgenoot (de man). Daaruit volgt dat de man uit hoofde van de verdeling van de gemeenschapsschuld rechtens geen vordering meer kan hebben jegens de vrouw en dat de onderhavige vordering alleen kan strekken tot betaling van de vrouw uit haar privé-vermogen.
De uitspraak op rechtspraak.nl