Hof Leeuwarden 10 november 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BG4214
Het hof zal in zaak B het - op hieronder weergegeven overwegingen - impliciet primair ten laste gelegde niet bewezen achten, inhoudende dat sprake is van een bevel of vordering krachtens artikel 5:19 lid 4 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb). Ter zake van dit onderdeel van de tenlastelegging zal aldus een partiële vrijspraak dienen te volgen. Gelet op de tekst van de tenlastelegging in zaak B, alsmede gelet op de dwingende volgorde van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient - met de hierboven bedoelde partiële vrijspraak in het achterhoofd - thans te worden beoordeeld of het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten "een bevel of een vordering krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan" een voldoende feitelijke omschrijving van het ten laste gelegde feit oplevert, als bedoeld in artikel 261 Sv. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend, mede nu door de advocaat-generaal ter terechtzitting niet is aangegeven op welk wettelijk voorschrift daarmee wordt gedoeld. Nu aldus onvoldoende duidelijk is op welk wettelijk voorschrift het bevel of de vordering als bedoeld in de tenlastelegging is gebaseerd, kan niet worden vastgesteld of dat bevel of die vordering rechtskracht heeft en of de in de tenlastelegging genoemde agent bevoegd was tot het geven van dat bevel of die vordering. Gelet op het bovenstaande is in zoverre sprake van een onvoldoende duidelijke opgave van het feit en dient de dagvaarding voor zover het betreft het impliciet subsidiair ten laste gelegde in zaak B nietig te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl