Hof Leeuwarden 10 oktober 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5298

In de grieven 3, 4 en 5 wordt (onder meer) betoogd dat nu in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 1997, NJ 1997, 483 is beslist dat [naam 1] niet van [betrokkene 1] erft, daarop thans niet kan worden teruggekomen. Het hof deelt dat standpunt niet. Van belang is daarbij dat de Hoge Raad op de in gemeld arrest uitvoerig toegelichte gronden tot die beslissing is gekomen, omdat hij van oordeel was dat er niet kon worden geanticipeerd op het alstoen aanhangige wetsvoorstel 24 649 tot herziening van het afstammingsrecht – in het kader waarvan ook de positie van het onwettige niet-erkende kind ten opzichte van zijn verwekker werd geregeld – aangezien de te maken keuzes van rechtspolitieke aard naar hun aard de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gingen. Het wetgevende proces is inmiddels geëindigd, hetgeen heeft geresulteerd, voorzover te dezen van belang, in artikel 1:207 BW, welk artikel in lid 5 terugwerkende kracht aan de onderhavige gerechtelijke vaststelling van het vaderschap verleent tot het moment van geboorte van het kind; zoals hierna nog nader zal worden besproken is deze wettelijke regeling van toepassing op het onderhavige geval, hoewel [betrokkene 1] geruime tijd voor de invoering daarvan (per 1 april 1998) is overleden. Nu de wetgever zich nadien als geschetst heeft uitgesproken en zodanige gerechtelijke vaststelling blijkens de hiervoor in rechtsoverweging 2 onder d genoemde uitspraak van het Hof Amsterdam van 8 juli 2004 ook voorhanden is, is het hof van oordeel dat meergenoemd arrest van de Hoge Raad uit 1997 op zich niet aan toewijzing van het door [naam 1] gevorderde in de weg kan staan. Het hof verwijst in dit verband nog naar rechtsoverweging 18 van EHRM 13 januari 2004, NJ 2005, 113, waarin [naam 1] - wiens beroep op de artikelen 8 en 14 EVRM niet werd gehonoreerd - het volgende wordt voorgehouden: ”The Court would note in conclusion that the possibility of seeking a judicial declaration of paternity (Article 1:207 of the Code Civil) is now open to the applicant.” Uit deze overweging blijkt dat ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat een dergelijke actie ter realisering van de erfrechtelijke aanspraken van [naam 1] openstaat (ondanks gemelde eerdere negatieve rechterlijke uitspraken in deze). Van strijd met het Nederlands recht en het EVRM, zoals [appellanten ] in de memorie van grieven in hun toelichting op grief 3 betogen, is bijgevolg geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen