Hof Leeuwarden 22 augustus 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB2270
Weliswaar is het hof met [appellante ] van oordeel dat onder omstandigheden van een behoorlijk optredende curator mag worden verwacht dat hij individuele (rechts)personen, met het oog op hun in het faillissement te respecteren belangen, verwittigt van het faillissement (vgl. HR 19-4-96, NJ 96, 727; thans daargelaten de vraag of de curator met het (doen) verzenden van de in r.o. 1 in fine bedoelde brief per gewone post in toereikende mate aan deze plicht heeft voldaan), doch evenwel gaat het in het onderhavige geval, anders dan in genoemd arrest, bij [appellante ] niet om het te beschermen belang dat zij heeft als crediteur, terwijl het recht noch de eisen van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden van het geval een toereikend aanknopingspunt bieden voor het in het belang van [appellante ] als debiteur analoog toepassen van het in het hierboven aangeduide arrest vervatte uitgangspunt, zodat een en ander [appellante ] niet kan baten. Hiertoe draagt mede bij dat, alhoewel niet aanstonds kan worden geconcludeerd dat de curator steeds voortvarend te werk is gegaan, evenmin op basis van de stukken tot het oordeel kan worden gekomen dat de curator verwijtbaar op directe of indirecte wijze heeft bevorderd dat [appellante ] de aan de boedel verschuldigde gelden heeft overgemaakt aan [naam 3 ] Transport BV.
De uitspraak op rechtspraak.nl