Hof Leeuwarden 28 februari 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ9682
Op 25 juni 1985 is overleden de heer (hierna: [de vader]). Uit zijn door echtscheiding ontbonden huwelijk met (hierna: [de moeder]) zijn drie kinderen, te weten appellanten, geboren. Appellanten, die op het moment van overlijden van hun vader - en ook ten tijde van de in rechtsoverweging 1.5 bedoelde rechtshandelingen - nog minderjarig waren, zijn ieder gerechtigd tot een derde deel van diens nalatenschap. Appellanten woonden ten tijde van het overlijden van hun vader bij de moeder, die de voogdij uitoefende. De vader heeft bij testament van 23 februari 1982 ten aanzien van zijn nalatenschap een bewind ingesteld met benoeming van zijn zwager [geïntimeerde] als bewindvoerder. [..] Appellanten hebben gevorderd voor recht te verklaren dat geïntimeerde jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld door zonder recht of reden in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over hun vermogen medewerking te verlenen aan het om niet afstand doen van de hiervoor onder 1 genoemde pachtrechten, en voorts geïntimeerde te veroordelen aan hen te vergoeden de uit dit onrechtmatig handelen voortvloeiende schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; kosten rechtens.
De uitspraak op rechtspraak.nl