Hof Leeuwarden 22 maart 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AV8559

In een geval als het onderhavige, waarin artikel 242 lid 1, sub 5 juncto lid 4 Fw toepassing heeft gevonden doordat de surseance is ingetrokken en het faillissement is uitgesproken, biedt de wet aan de schuldenaar niet uitdrukkelijk de mogelijkheid om alsnog - ter gelegenheid van die omzetting of later - toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verzoeken. Naar het oordeel van het hof bevat de wet op dit terrein, mede gelet op de parlementaire geschiedenis, geen leemte waarin ten voordele van [appellant] dient te worden voorzien door hem het recht toe te kennen in dit geval een verzoek als het onderhavige te doen, nog daargelaten dat een dergelijk verzoek bij de rechtbank zou moeten worden ingediend. Het hof is van oordeel dat artikel 247a lid 1 Fw - onder meer inhoudend dat de rechtbank in ieder geval niet later dan twee maanden na de dag waarop de surseance van betaling voorlopig is verleend op verzoek van de schuldenaar de hem voorlopig verleende surseance kan intrekken onder gelijktijdige van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling - strikt dient te worden uitgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen