Hof Leeuwarden 10 mei 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AT5309
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af, dat het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer] in de periode van 26 augustus 2003 tot en met 27 augustus 2003 van haar vrijheid beroofd is gebleven. Verdachte heeft verwijtbaar gehandeld doordat hij heeft nagelaten voor de hand liggende mogelijkheden te benutten die zouden hebben bijgedragen tot bekorting van de gijzeling van [slachtoffer]. De ernst van het feit brengt mee, dat uitsluitend een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in aanmerking komt. Het hof is gebonden aan het strafmaximum dat voorvloeit uit het meer subsidiair bewezen verklaarde artikel 283, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk een hechtenis van drie maanden en geldboete van de tweede categorie. Het hof zal zich tot het opleggen van een vrijheidsstraf beperken, maar ontkomt gezien de ernst van het feit niet aan het opleggen van de bij dit feit behorende maximale vrijheidsstraf.
De uitspraak op rechtspraak.nl