Hof Den Haag 18 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2234
Kansspelbelasting. De kansspelbelasting is geen verboden heffing zoals bedoeld in artikel 401 van de Btw-richtlijn. Het Hof ziet geen aanleiding daarover prejudiciële vragen te stellen. Art. 14 EVRM. Art. 26 IVBPR. Geen schending van het discriminatieverbod omdat exploitanten van speelautomatenhallen onder de heffing van de kansspelbelasting vallen en exploitanten van speelgelegenheden niet. Art.1 EP EVRM. De heffing van kansspelbelasting is niet in strijd met artikel 1 EP EVRM. Belanghebbende maakt ook niet aannemelijk dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Het fiscale neutraliteitsbeginsel is in deze zaak niet van toepassing. Geen strijd met algemene beginselen van behoorlijke wetgeving. Geen staatssteun.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 11 AB
- Artikel 120 Gw
- Artikel 1 WKB
- Artikel 30a WKS
- Artikel 30c WKS
- Artikel 30h WKS
- Artikel 3 Speelautomatenbesluit 2000
- Artikel 13 Speelautomatenbesluit 2000
- Artikel 15 Speelautomatenbesluit 2000
- Artikel 2 Speelautomatenregeling 2000
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 26 BUPO
- Artikel 401
Aangehaalde uitspraken
- HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815
- ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772
- HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:441
- HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442
- HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3022
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1523
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1524
- HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4821
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:661
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:492
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:137
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:732