Hof Den Haag 17 april 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:645
Aanvang van de termijn voor verzet tegen een strafbeschikking. De verdachte vervoert beroepsmatig lachgascontainers. Omdat de verdachte niet alle voor dat vervoer geldende regels in acht zou hebben genomen vaardigt de officier van justitie een strafbeschikking uit wegens overtreding van art. 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De verdachte doet verzet tegen deze strafbeschikking. De economische politierechter verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet, omdat het te laat zou zijn gedaan. De verdachte gaat van dit vonnis in hoger beroep. Het hof beslist in een tussenbeslissing (in het arrest weergegeven onder het kopje ‘Procesgang’) dat de economische politierechter ten onrechte de dag waarop de strafbeschikking is uitgevaardigd bepalend heeft geacht voor de aanvang van de verzetstermijn. Het hof overweegt dat uit art. 257e lid 1 Sv voortvloeit dat de aanvang van de verzetstermijn wordt bepaald door hetzij het moment waarop een afschrift van de strafbeschikking in persoon aan de verdachte is betekend, hetzij het moment waarop zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking aan de verdachte bekend is. In het geval van deze verdachte betekent dit dat hij wel tijdig verzet heeft gedaan en daarin dus ontvankelijk is. Op de voet van het bepaalde in art. 423 lid 2 Sv doet het hof vervolgens zelf de zaak af.
De uitspraak op rechtspraak.nl