Hof Den Haag 19 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:396

Verdrinking 17-jarige jongen op 19 februari 2018. Het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt, is dat hij het slachtoffer in het ijskoude water heeft zien verdrinken en op dat moment geen 112 heeft gebeld om de hulpdiensten in te schakelen. Vrijspraak van primair ten laste gelegde mishandeling de dood tot gevolg (art. 300 lid 3 Sr). De verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor gevaarzettende omstandigheden die hebben geleid tot het door het slachtoffer in het ijskoude water ondervinden van de hevige onlust. Ook vrijspraak van subsidiair ten laste gelegde dood door schuld (art. 307 Sr) omdat niet gezegd kan worden dat het aannemelijk is dat de dood met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het nalaten van de verdachte is veroorzaakt. Dat het slachtoffer nog een kleine kans had de verdrinking te overleven als de verdachte direct 112 had gebeld, terwijl hij door het nalaten van de verdachte dat te doen geen enkele kans meer maakte, is onvoldoende om te concluderen dat de dood van het slachtoffer de schuld van de verdachte is. Veroordeling wegens het meer subsidiair tenlastegelegde, het als overtreding strafbaar gestelde nalaten hulp te verlenen aan iemand die in levensgevaar verkeert (art. 450 Sr). Strafvermindering wegens bedreigingen aan het adres van de verdachte en wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hechtenis voor de duur van 10 weken. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in vordering tot vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van zittingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken