Hof Den Haag 24 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1693
Het geschil betreft de restwaarden van de ruwbouw, afbouw en installaties en de resterende technische levensduren van de installaties, die de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering van de gebouwde delen van het Kinderdagverblijf in aanmerking heeft genomen. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat hij geen reden had om af te wijken van de bandbreedten van de restwaardenpercentages genoemd in de door beide partijen gebruikte Taxatiewijzer, archetype O186PL12. Belanghebbende heeft geen feiten gesteld die grond zijn voor gerede twijfel aan de juistheid van de kengetallen. Wat betreft de verlenging van de technische levensduren van de installaties heeft de Rechtbank terecht beslist dat de Heffingsambtenaar niet erin is geslaagd het van hem op dit punt verlangde bewijs te leveren. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar voorgestane waarde van het Kinderdagverblijf niet te laag is. Volgt bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671
- Hof Den Haag 7 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:863
- HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:169
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3824
- Hof Den Haag 14 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3378
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6339
- HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300
- HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610
- HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5032