Hof Den Haag 7 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:863
De onroerende zaak omvat een begraafplaats en een crematorium. De zaak bestaat uit grond met een oppervlakte van 107.480 m2, een hoofdgebouw, een bijgebouw, twee poorten, een hekwerk, beplantingen en verhardingen. Het Hof volgt partijen in hun gezamenlijk standpunt dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het Hof volgt hen ook in hun opvatting dat in dit geval de gecorrigeerde vervangingswaarde berekend dient te worden door de optelling van de deelwaarden van de samenstellende delen van de onroerende zaak. Het geschil spitst zich toe op een drietal vragen. In antwoord op die vragen beslist het Hof dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gebruikte, op zich niet in geschil zijnde, rekenprijzen van € 100 en € 10 per m2 dienen te worden toegepast op respectievelijk 16.400 m2 en 91.080 m2 grond en dat de door hem bij de bepaling van de factor voor technische veroudering gebruikte restwaarden niet te hoog zijn. Wel heeft hij de door hem in aanmerking genomen resterende technische levensduren van de gebouwde delen van de onroerende zaak aannemelijk gemaakt. Belanghebbende is er naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de rekenprijzen van € 100 en € 10 per m2 slechts van toepassing zijn voor respectievelijk 5.900 m2 en 10.000 m2 grond, dat voor de overige grond een rekenprijs van € 4 geldt en dat de factor voor functionele veroudering lager moet worden gesteld dan de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen factor. Omdat geen van partijen geslaagd is in het van haar verlangde bewijs, stelt het Hof de waarde schattenderwijs vast op € 4.000.000. Op dat bedrag was de Rechtbank in eerste aanleg ook al uitgekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl