Hof Den Haag 6 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:5
Belanghebbende, een in Nederland gevestigde BV, heeft in 2015 kranen en trailers verhuurd aan haar in Uruguay gevestigde 100%-dochtervennootschap (de SA). Daarnaast verrichtte belanghebbende in 2015 (technische) ondersteunende diensten aan de SA. Op de aan belanghebbende betaalde vergoeding voor deze werkzaamheden (de royalty’s) heeft de SA 12% Uruguayaanse bronbelasting ingehouden. In geschil is of deze bronbelasting verrekenbaar is op grond van artikel 36 Bvdb 2001. Meer specifiek houdt partijen verdeeld of Uruguay in 2015 moet worden aangemerkt als ontwikkelingsland in de zin van artikel 6 Bvdb 2001, ook al wordt dit land in het betreffende jaar niet als zodanig aangewezen. Het Hof oordeelt dat artikel 6 Bvdb 2001 niet in strijd is met de bepalingen van de Awb of ongeschreven algemene rechtsbeginselen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Met betrekking tot het beroep van belanghebbende op de EU-rechtelijke vrijheid van kapitaalverkeer oordeelt het Hof dat de onderhavige kapitaalbeweging volledig ondergeschikt is aan de dienstverlening door belanghebbende, zodat het niet verrekenen van bronbelasting slechts vanuit het oogpunt van de vrijheid van dienstverrichting kan worden beoordeeld. De vrijheid van dienstverrichting is niet van toepassing in relatie tot Uruguay. Belanghebbende kan zich daarom niet beroepen op de vrijheid van dienstverrichting, en evenmin op de vrijheid van kapitaalverkeer. Mocht echter in dit geval toch (slechts) de vrijheid van kapitaalverkeer van toepassing zijn, dan geldt dat Nederland hierop geen inbreuk maakt. Of er een belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer is, moet namelijk worden vastgesteld door de behandeling van royalty’s betaald door een inwoner van Uruguay aan een inwoner van Nederland, te vergelijken met royalty’s betaald door een inwoner van Nederland aan een andere inwoner van Nederland. Nederland maakt bij de ontvanger van de inkomsten geen onderscheid in de fiscale behandeling van beide situaties. In beide gevallen zijn de inkomsten bij de ontvanger immers onderworpen aan vennootschapsbelasting, zonder de mogelijkheid van verrekening van eventuele bronbelasting. Het Hof verwerpt voorts belanghebbendes standpunten dat bij de beoordeling van de vrijheid van kapitaalverkeer de Rente- en royaltyrichtlijn, evenals de Mercosur Kaderovereenkomst, de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen Nederland en Uruguay en het Handelsverdrag met Uruguay van 1934 van belang zijn. Tot slot verwerpt het Hof belanghebbendes rechtstreekse beroep op de Mercosur Kaderovereenkomst, aangezien uit dit verdrag voor Nederland geen verplichting voortvloeit om Uruguayaanse bronbelasting te verrekenen. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016
- ABRvS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3120
- ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:221
- HR 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:471
- CRvB 22 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2274
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:631
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:713
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:289
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:471
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:92
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:61