Hof Den Haag 15 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1058

Art. 1, lid 1, onderdeel e, art. 1a, lid 3 en 4, art. 2, lid 1, b, art. 5, art. 51, lid 1, b, art. 66, lid 1, aanhef en a, art. 83, art. 84, lid 1 en 2, art. 91 Wet op de accijns; art. 8a, art. 19, art. 20, en art. 34 van het Uitvoeringsbesluit accijns; en art. 54, art. 55a, en art. 56 van de Uitvoeringsregeling accijns. Belanghebbende zijn, nadat op een van haar tanklichters monsters en contramonsters zijn genomen, een naheffingsaanslag in de accijns en een boete opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht. Het Hof komt, na behandeling van een reeks van klachten van belanghebbende tegen de wijze waarop de monsters zijn genomen, tot de conclusie dat de Inspecteur tegenover de betwisting door belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de minerale olie die in de bunkertankers van het schip aanwezig was niet voldeed aan de voorwaarden voor de bunkervrijstelling. Het standpunt dat de Inspecteur had moeten vaststellen of eerder in de handelsketen een belastbaar feit is gepleegd of meer onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de inhoud van de bunkertanks, volgt het Hof niet. De deelnemers aan een dergelijke handelsketen lopen risicoaansprakelijkheid voor de heffing van accijns, zodat de Inspecteur aan iedere voorhandenhebber en andere betrokkenen, een naheffingsaanslag mag opleggen. De door belanghebbende voorgestane berekening pro rata vindt geen steun in het recht. Ook de belastingrente en de boete zijn terecht en naar juistheid berekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken