Hof Den Haag 21 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:873

In een geschil omtrent een beschikking aansprakelijkstelling beslist het Hof dat nu de naheffingsaanslag ziet op het eerste kwartaal 2016 en belanghebbende in het eerste kwartaal 2016 vennoot van de VOF en onbeperkt bevoegd was, belanghebbende op de voet van artikel 33, eerste en tweede lid, IW als hoofdelijk aansprakelijke bestuurder voor de uit de naheffingsaanslag voortvloeiende belastingschuld kan worden aangemerkt. Belanghebbende is niet geslaagd in de op grond van artikel 33, vierde lid, IW op hem rustende bewijslast dat het niet aan hem te wijten is dat de verschuldigde belasting niet is voldaan. Ook kan belanghebbende geen aanspraak maken op een soortgelijke afspraak als zijn medevennoot met de Ontvanger heeft kunnen maken, nu er verschillen bestaan tussen belanghebbende en de medevennoot. Het behoort voorts tot de beleidsvrijheid van de Ontvanger om op basis van verschillen tussen de bestuurders al dan niet een afspraak met een van de bestuurders te maken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken