Hof Den Haag 19 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:281

Belanghebbende is een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap. In 2006 is haar statutaire directie vanuit Nederland verplaatst naar Singapore. Belanghebbende is in Singapore als inwoner in de heffing betrokken. In het onderhavige jaar (2010) heeft belanghebbende dividenden uitgekeerd aan haar op Sint Maarten woonachtige, enig aandeelhouder. In de jaren 2006 tot en met 2010 is belanghebbende geadviseerd door een belastingadvieskantoor met vestigingen in Nederland (het NL-kantoor) en op Curaçao (het Antillen-kantoor). In geschil is of belanghebbende over de dividenduitkeringen dividendbelasting is verschuldigd. Het Hof is van oordeel dat eerst moet worden beoordeeld of de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) al dan niet aan de heffing door Nederland van dividendbelasting in de weg staat (vgl. HR 28 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0296). Indien belanghebbende inwoner van Nederland is in de zin van de BRK, kent artikel 11, lid 2, van de BRK aan Nederland heffingsrecht toe over het dividend naar een tarief van ten hoogste 15%. Volgens het Hof is belanghebbende op basis van de vestigingsplaatsfictie (artikel 2, lid 4, Wet Vpb 1969) in beginsel volledig onderworpen aan belastingheffing in Nederland, zodat zij ingevolge artikel 2, lid 1, letter d, van de BRK inwoner is van Nederland. Vervolgens rijst de vraag of belanghebbende voor de toepassing van het Verdrag Nederland-Singapore (het Verdrag) als inwoner van Singapore moet worden beschouwd. Zo ja, dan is belanghebbende in Nederland niet volledig onderworpen en kan zij niet als inwoner van Nederland worden aangemerkt in de zin van de BRK. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende ingevolge artikel 3, lid 1, van het Verdrag zowel inwoner van Nederland als van Singapore, zodat moet worden vastgesteld waar belanghebbende in het onderhavige jaar werd 'geleid en bestuurd' in de zin van de tiebreaker van artikel 3, lid 4, van het Verdrag. Volgens het Hof is het aan de Inspecteur om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat belanghebbende niet werd 'geleid en bestuurd' door de statutaire directie in Singapore, maar door een (of meer) anderen (vgl. HR 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105, en HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP5258). De Inspecteur moet tevens aannemelijk maken vanuit welke plaats die ander de leiding uitoefent. Naar het oordeel van het Hof slaagt de Inspecteur in de op hem rustende bewijslast. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de relevante kernbeslissingen noch door de directie te Singapore, noch door de enig aandeelhouder op Sint Maarten zijn genomen. De belastingadviseurs in Nederland zijn initiërend en coördinerend opgetreden en hebben de directie in Singapore belangrijke aanwijzingen en instructies gegeven. De directie in Singapore heeft slechts een uitvoerende rol vervuld en werd daarbij ondersteund door het Antillen-kantoor, dat voor het NL-kantoor controletaken op uitvoerend niveau heeft verricht. Aangezien belanghebbende voor de toepassing van het Verdrag geacht wordt inwoner van Nederland te zijn, staat het bepaalde in artikel 10, lid 7, van het Verdrag (verbod op extraterritoriale heffing op dividenden) niet in de weg aan het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen. Bovendien staat hiermee vast dat de Nederlandse woonplaats van belanghebbende ingevolge artikel 2, lid 1, letter d, van de BRK, niet wordt aangetast door de toepassing van het Verdrag. Vervolgens onderzoekt het Hof of belanghebbende ingevolge artikel 2, lid 1, letter d, van de BRK ook als inwoner van de Nederlandse Antillen respectievelijk Sint Maarten moet worden beschouwd. Gezien het oordeel dat belanghebbende in het onderhavige jaar werd 'geleid en bestuurd' vanuit Nederland, beantwoordt het Hof deze vraag ontkennend, zodat belanghebbende voor de toepassing van de BRK uitsluitend inwoner van Nederland is. De onderhavige naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken