Hof Den Haag 3 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2112
In het kader van herontwikkelingsprojecten heeft belanghebbende, een woningcorporatie, een deel van haar sociale huurwoningen gesloopt. Belanghebbende stelt dat de huurwoningen zodanig waren verouderd en versleten dat zij moesten worden vervangen. Onder verwijzing naar het zogenoemde Warenhuisarrest (HR 21 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8556, BNB 1993/240) stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij de fiscale boekwaarde van de sloopwoningen mag afwaarderen tot de marktwaarde van de ondergrond van die opstallen en het verschil als verlies in aanmerking mag nemen. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt het uitgangspunt dat indien een bestaand gebouw wordt opgeofferd ten behoeve van de stichting van een nieuw gebouw, de boekwaarde dan wel de lagere bedrijfswaarde van een gesloopt gebouw wordt gerekend tot de kostprijs van dat nieuw gestichte gebouw. Dat in geval van belanghebbende van dit uitgangspunt moet worden afgeweken omdat sprake is van een situatie als bedoeld in het Warenhuisarrest is niet aannemelijk geworden. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat de gesloopte woningen voorafgaande aan de sloop geen waarde toekwam omdat zij in de bedrijfs-uitoefening versleten waren. Ook acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de gesloopte opstallen (de sloopwoningen) zijn vervangen door functioneel gelijke bedrijfsmiddelen (de nieuwe woningen).
De uitspraak op rechtspraak.nl