Hof Den Haag 11 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1489

Belanghebbende bezit een woning in Zwitserland. Belanghebbende stelt dat een te laag bedrag aan aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van de woning in Zwitserland is verleend. De omstandigheid dat de aftrek lager is dan in voorgaande jaren als gevolg van een herziening van de vermogensrendementsheffing per 1 januari 2017, waardoor vanaf dat moment sprake is van een progressie in de forfaitaire berekening van de inkomsten uit sparen en beleggen, brengt niet mee dat Nederland de Zwitserse woning in strijd met het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland in de Nederlandse belastingheffing betrekt. Evenmin heeft (de herziening van) de wijze waarop het forfaitaire rendement wordt bepaald tot gevolg dat Nederland in strijd met het Verdrag eenzijdig een heffingsrecht voor zichzelf heeft gecreëerd over de inkomsten uit de Zwitserse woning. Nederland handelt dus niet in strijd met de goede verdragstrouw. De stelling dat het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 onverbindend moet worden verklaard, faalt, aangezien de toepassing van het besluit rechtstreeks uit het Verdrag volgt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de stelling dat het op forfaitaire wijze bepalen van de inkomsten uit sparen en beleggen in combinatie met de verleende aftrek ter voorkoming van dubbele belasting in strijd is met artikel 1 EP EVRM, falen eveneens.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken