Hof Den Haag 21 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:104

Aanslagen schenkingsrecht en schenkbelasting zijn tijdig opgelegd. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij en/of zijn moeder destijds in 2007, 2008, 2009, 2010 en ook niet in 2011 voor de aan X gedane schenkingen de Inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangiften voor het schenkingsrecht/schenkbelasting hebben verzocht. Voor zover daar wel om is verzocht in X’ brief van 18 december 2017, heeft de Inspecteur kennelijk deze brief met stukken opgevat als aangiften en heeft hij naar aanleiding daarvan de aanslagen opgelegd. Uit het dossier komt niet naar voren dat de Inspecteur anderszins op de hoogte was van de schenkingen. Ingevolge art. 66, lid 1, onderdeel 2, e Successiewet 1956 (tekst met ingang van 1 januari 2018, Stb. 2017, 518 onmiddellijk werkend) gaat bij een niet-tijdige aangifte schenkbelasting, de termijn voor het opleggen van een aanslag of navorderingsaanslag in op de dag nadat die aangifte van de schenking is gedaan en in geval geen aangifte is gedaan, begint de termijn voor het opleggen van de aanslag van drie jaar te lopen op de dag na de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker. De moeder van belanghebbende is in april 2016 overleden. De aanslagen zijn op 20 februari 2018 opgelegd en zijn daarmee tijdig, ook als geen sprake zou zijn van het doen van aangiften in december 2017.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken