Hof Den Haag 5 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2995
Naheffing loonheffingen. Belanghebbende stelt twee lassers ter beschikking aan derden voor werkzaamheden. Er is naar het oordeel van het Hof sprake van een fictieve dienstbetrekking met belanghebbende ex art. 4, onderdeel e, Wet LB 1964 jo. art 2a UB LB 1965. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de twee lassers op grond van art 2e, lid 1, UB 1965 zijn uitgezonderd van loonheffing. Zij oefenen geen onderneming uit. Zij hebben geen var-wuo-verklaringen. Er zijn in de naheffingstijdvakken geen andere opdrachtgevers. De twee lassers lopen een gering risico voor wat betreft de aansprakelijkheid voor de inhoud van hun werk en hun vergoeding en zijn wat dat betreft vergelijkbaar met gewone werknemers. Zij kunnen kosten voor kleding en reiskosten declareren en het materiaal dat zij nodig hebben stelt belanghebbende/de derde hen ter beschikking. De gevallen waarop belanghebbende zich beroept zijn feitelijk noch rechtens gelijk, omdat deze personen hun inkomsten uit de werkzaamheden door tussenkomst van belanghebbende al hebben verantwoord in hun aangiften voor de inkomstenbelasting en dat hebben de twee lassers tijdens de controle nog niet gedaan. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslagen loonheffingen rekening gehouden met de loonheffingskorting.
De uitspraak op rechtspraak.nl