Hof Den Haag 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2389

Belangh, X, is werkzaam op een schip met een Rijnvaartverklaring met een in Nederland gevestigde exploitant. De werkgever van X is gevestigd in Luxemburg. De SVB heeft geen A1-verklaring afgegeven en de Luxemburgse autoriteit evenmin. Naar het oordeel van het Hof is X in 2013 premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen. Art. 5 van de Rijnvarendenovereenkomst staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de inspecteur de verzekeringsplicht vast te stellen. De Inspecteur heeft de procedure van art 16 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 voor toepassing van art. 13 van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet geschonden, aangezien het i.c. niet gaat om toepassing van laatstbedoelde bepaling. Het beginsel van loyale samenwerking (art. 4, lid 3, VWEU) is evenmin geschonden. X zal indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst wenst, daartoe volgens de in art. 18 van Verordening (EG) nr. 987/2009 voorgeschreven procedure een verzoek tot regularisatie moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van Luxemburg als hij toepassing van die wetgeving wenst. X kan geen recht doen gelden op hogere aftrek van de voorheffing sociale verzekeringspremies dan hij al heeft gehad. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet geschonden. X heeft recht op immateriële schadevergoeding omdat de bezwaarfase te lang heeft geduurd. De Inspecteur heeft geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die de overschrijding rechtvaardigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken