Hof Den Haag 13 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1254

Erflater heeft bij de liquidatie van zijn BV het bij die BV bedongen stamrecht afgekocht. Op dat moment had de stamrechtaanspraak een waarde van € 197.538. Bij de afkoop is met toepassing van artikel 39f, lid 3, Wet LB (tekst 2014) een bedrag van € 158.030 (80% van € 197.538) aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. De ter zake van de afkoop van het stamrecht af te dragen loonheffing ad € 81.728 is ten behoeve van de BV voldaan door erflater uit privémiddelen. Zowel het nettobedrag van de stamrechtuitkering als het bedrag van de door erflater betaalde loonheffing is in de rekening-courantverhouding van erflater met de BV geboekt. De BV beschikte over onvoldoende liquide middelen om het volgens de liquidatiebalans aan erflater verschuldigde bedrag te voldoen. In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht de volledige waarde van de stamrechtuitkering in de heffing van inkomstenbelasting heeft betrokken. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Aangezien het door erflater ten behoeve van de BV voldoen van de loonheffing moet worden aangemerkt als een storting van informeel kapitaal, is dat bedrag ten onrechte als schuld geboekt in de rekening-courant. Na eliminatie van dit bedrag uit de rekening-courant laat het saldo daarvan verrekening van het gehele nettobedrag van de afkoopsom toe. Erflater heeft de stamrechtuitkering dan ook volledig genoten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken