Hof Den Haag 8 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1184
Belanghebbende werkt bij het Europees Octrooi Bureau te Rijswijk (EOB). Hij heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Belanghebbende valt op basis van zijn rang onder de categorie EOB-personeel van artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst, maar geniet vanwege zijn Nederlandse nationaliteit niet de door die bepaling toegekende privileges. Belanghebbende stelt dat hij aldus ongelijk behandeld wordt ten opzichte van bij indiensttreding uit het buitenland afkomstige EOB-werknemers zonder de Nederlandse nationaliteit die al tien jaar hier te lande verblijven. Bedoelde niet-Nederlandse EOB-werknemers worden volgens belanghebbende ingevolge begunstigend beleid niet belast over het inkomen uit sparen en beleggen, terwijl zij na tien jaar verblijf in Nederland gelden als hier duurzaam verblijf houdend en dus de DV-status hebben. Hof Den Haag oordeelt, onder verwijzing naar HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:22, BNB 2015/53, dat belanghebbendes stelling berust op een onjuiste opvatting over de betekenis van het begrip duurzaam verblijf bij de toepassing van regelingen die gelden voor diplomatieke ambtenaren, waarnaar artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst verwijst. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl