Hof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1325
Belanghebbende heeft op haar in eigendom behorende grond de sporthal [Y] gerealiseerd. De sporthal is in oktober 2012 in gebruik genomen. De ter zake van de bouw in de jaren 2009 tot en met 2012 aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting (voorbelasting) heeft belanghebbende op haar aangiften voor de omzetbelasting volledig in aftrek gebracht. Belanghebbende stelt tijdens schooltijden de sporthal ter beschikking aan de school voor katholiek basisonderwijs de [A] (de basisschool). Verder wordt, met name in de avonduren, de sporthal ter beschikking gesteld aan een badmintonvereniging en aan particulieren. De Inspecteur heeft de in de jaren 2009 tot en met 2012 in aftrek gebrachte voorbelasting (gedeeltelijk) nageheven, omdat belanghebbende ter zake van de terbeschikkingstelling van de sporthal aan de basisschool geen ondernemer voor de omzetbelasting is. De tegen de naheffingsaanslagen ingediende bezwaren zijn ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft de daartegen bij de Rechtbank ingestelde beroepen ingetrokken. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Het Hof wijst de zaak terug naar de Inspecteur (me judiciële lus). De terugwijzing strekt ertoe te bewerkstelligen dat, in de aldus heropende behandeling van het bezwaar, het geschil niet is beperkt tot de beschikkingen inzake het BTW-compensatiefonds maar breder wordt opgelost door de materiële juistheid van de naheffingsaanslagen opnieuw te beoordelen, dit laatste zonodig zonder acht te slaan op de abusievelijke intrekking van de beroepen betreffende deze naheffingsaanslagen, opdat een onderling consistent resultaat wordt bereikt.
De uitspraak op rechtspraak.nl