Hof Den Haag 5 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4095

Klaagschrift artikel 552a Sv, beklag gegrond Het hof heeft bij kennisname van de inhoud van de documenten [a] en [b] kunnen vaststellen dat beide documenten een verslag van het door de klaagster intern verrichte onderzoek bevatten, met eigen conclusies en aanbevelingen, en niet meer dan dat. Gelet op het hiervoor overwogene brengt dat met zich, dat de inhoud van deze documenten als afhankelijk van de wil van de klaagster moet worden aangemerkt. Dat er ook een aantal feitelijke gegevens in het rapport staan (zoals plaats en tijdstip van het incident), doet onvoldoende af aan het feit dat de stukken als geheel beide als afhankelijk van de wil van de klaagster moeten worden aangemerkt. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het gebruik tot het bewijs van de gevorderde, in de documenten [a] en [b] vervatte, verklaringen van de klaagster als verdachte in een strafzaak het recht van de klaagster in die strafzaak om te zwijgen en daarmee haar recht om zichzelf niet te belasten, van zijn betekenis zou ontdoen. De vordering tot uitlevering strijdt daarom in dit geval met het bepaalde in artikel 6 EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen