Hof Arnhem 5 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY2256

Uit het oogpunt van rechtszekerheid verdient het de voorkeur dat reeds de rechter die een terbeschikkingstelling met voorwaarden oplegt zich, ook al is artikel 359, zevende lid van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing, uitlaat over de vraag of de terbeschikkingstelling wordt opgelegd voor een geweldsmisdrijf. Indien na oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden op voet van artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht alsnog de verpleging van overheidswege wordt bevolen, zal indien de opleggingsrechter zich daarover niet al heeft uitgelaten, de omzettingsrechter dan wel de verlengingsrechter zich alsnog moeten uitlaten over de vraag of er sprake is van een geweldsdelict. In een eerdere beslissing heeft het hof overwogen dat, nu aan de wijzigingen in de wettelijke regeling inzake de terbeschikkingstelling bij wet van 15 december 1993, Stb. 1994, 13 ten grondslag heeft gelegen onder meer de wens, dat de veroordeelde uit het vonnis kan begrijpen of al dan niet een gemaximeerde terbeschikkingstelling is opgelegd, een verdergaand onderzoek naar omstandigheden die niet rechtstreeks kenbaar zijn uit de bewezenverklaring en/of de in de uitspraak gebezigde bewijsmiddelen, bij gelegenheid van een verlengingsprocedure niet past (Gerechtshof Arnhem 30 mei 2011, LJN: BQ6616). Naar het oordeel van het hof is er voor een verdergaand onderzoek ook geen plaats op het moment van omzetting van een terbeschikkingstelling met voorwaarden in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging dan wel bij een verlenging van die dwangverpleging

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen