Hof Arnhem 10 april 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW5496
art. 6:265 en 7:347 BW Persoonlijk gebruik van het gepachte door pachtster? Wat betreft de vraag welke mate van persoonlijke betrokkenheid van pachtster bij de landbouwkundige exploitatie van de verpachte percelen mag worden verwacht, is medebepalend wat partijen bij gelegenheid van het aangaan van de pachtovereenkomsten voor ogen hebben gehad. Gelet op de tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden (zie arrest) is onaannemelijk dat partijen in 1988 respectievelijk 1993 voor ogen hebben gehad dat pachtster bij de landbouwkundige exploitatie van de verpachte percelen zelf het voortouw diende te nemen en ligt het integendeel voor de hand dat partijen bedoelden dat volstond dat zij als echtgenote in een min of meer algemene zin bij het bedrijf van haar man zou zijn betrokken. Tegen deze achtergrond is pachtster thans voldoende bij de exploitatie van het gepachte betrokken, zodat geen sprake is van een tekortkoming. (Overige) tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding niet.