Hof Arnhem 4 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ3497
Medeplegen kraken, artt. 47 en 138a Sr. - Het m.b.t. de (on)rechtmatigheid van het ontruimen van (een deel) van het gebouw gevoerde verweer behoeft geen bespreking, omdat het ontruimen op grond van artikel 551a Sv een bevoegdheid is die als accessoir of bijkomend is aan te merken en niet als een strafvordelijke bevoegdheid. - Niet is gebleken dat in de strafzaak het Zwolsmancriterium is geschonden. - Verweer dat gelet op de verleende machtiging onrechtmatig is binnengetreden wordt verworpen. - Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen leidt ertoe dat niet nogmaals het verweer betreffende het onrechtmatig zijn van de aanhouding en de inverzekeringstelling kan worden gevoerd, indien de rc hier al een beslissing over heeft genomen. - Geen strijd met nemo tenetur-beginsel doordat verdachte verplicht werd gesteld zijn personalia bekend te maken, omdat hij anders in bewaring zou worden gesteld. - Wederrechtelijk vertoeven dient te worden uitgelegd als vertoeven zonder toestemming van de rechthebbende. - Het is niet nodig voorafgaand aan de aanhouding van verdachte op grond van art 138a Sr een vordering te doen om het pand te ontruimen. - Het verweer dat verdachte zich zonder voorafgaande vordering of waarschuwing te ontruimen niet bewust hoeft te zijn geweest van het wederrechtelijke karakter van zijn verblijf wordt verworpen. - De verdediging heeft aangevoerd dat art. 138a Sr onverbindend is wegens strijd met art. 8 en 13 EVRM en dat OVAR zou moeten volgen. Het verweer wordt verworpen. - Op grond van art 94 Grondwet zou art 138a Sr hooguit buiten toepassing kunnen worden gelaten, hetgeen hier niet het geval kan zijn. - Geen strijd met het EVRM, nu art. 8 lid 2 EVRM bepaalt dat de reikwijdte van het recht op ‘home’ kan worden beperkt ter bescherming van onder meer de rechten van anderen.
De uitspraak op rechtspraak.nl