Hof Arnhem 28 december 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BQ1395

Vervolg van LJN BK4249. Artt. 7:363 BW en 236 lid 1 Rv. Vorderingen tot medepacht. Overgangsrecht. Gezag van gewijsde van uitspraak pachtkamer eerste aanleg, ook indien de overwegingen strijdig zijn met nadien gewezen rechtspraak van het pachthof. In eerste aanleg heeft de pachtkamer de vordering tot medepacht t.a.v. de echtgenote niet en t.a.v. de schoonzoon wel toegewezen. De pachter komt op tegen de afgewezen vordering t.a.v. zijn echtgenote en de verpachter tegen de toegewezen vordering t.a.v. de schoonzoon. Verpachtster voert in hoger beroep aan dat pachter bij de onderhavige vorderingen geen belang meer heeft. Tijdens de procedure in hoger beroep hebben pachter en de schoonzoon, de laatste in hoedanigheid van medepachter, namelijk een verlengingsverzoek/vordering ingediend bij de pachtkamer van de rechtbank te Maastricht. Omdat de pachtkamer het verzoek/de vordering bij vonnis van 12 november 2008 (LJN: BG4552) heeft afgewezen en pachter en de schoonzoon geen hoger beroep tegen dat vonnis hebben ingesteld, concludeert verpachtster dat de pachtovereenkomst conform de beschikking van dit hof van 3 juli 2007 per 15 maart 2009 is geëindigd. Een verdere behandeling van de zaak is dus niet meer aan de orde, aldus verpachtster. Pachter heeft zich beroepen op het gezag van gewijsde van het vonnis van 12 november 2008. De in dat vonnis opgenomen beslissingen van de pachtkamer brengen volgens pachter mee dat tussen partijen geldt dat de pachtovereenkomst (niet op verzoek van pachter verlengd maar) tijdig opgezegd had moeten worden door verpachtster. Nu dat niet is gebeurd, loopt de pachtovereenkomst door, aldus de lezing van pachter van het vonnis. Het beroep op het gezag van gewijsde slaagt. In de verlengingsprocedure heeft de pachtkamer dezelfde rechtsbetrekking beoordeeld als de onderliggende rechtsbetrekking in de onderhavige procedure (artikel 236 lid 1 Rv). De beslissingen die de pachtkamer over die rechtsbetrekking heeft genomen, gelden tussen partijen als bindend omdat het vonnis van 12 november 2008 in kracht van gewijsde is gegaan. Anders dan verpachtster betoogt, geldt het gezag van gewijsde ook voor dragende overwegingen en vastgestelde feiten of rechten die tot het dictum hebben geleid. In vermeld vonnis heeft de pachtkamer in de hoedanigheid van pachter en de schoonzoon geen aanleiding gezien hun verzoek/vordering niet-ontvankelijk te achten. De pachtkamer heeft - voor zover hier van belang - vanwege de inwerkingtreding van het nieuwe pachtrecht per 1 september 2007 verder overwogen dat het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst wezenlijk verschilt van het oude recht. Artikel 7:367 BW voorziet in opzegging door de verpachter en artikel 7:369 BW in verzet door pachter binnen zes weken. Het is dan aan de verpachter om in een dagvaardingsprocedure aan te vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. Boek 7, titel 5, BW biedt de pachter geen mogelijkheid verlenging van de pachtovereenkomst te vorderen. Vast staat dat verpachtster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de pachtovereenkomst op te zeggen. Pachter en de schoonzoon kunnen daarom niet ontvangen worden in hun subsidiaire vordering tot verlenging van de pachtovereenkomst op de voet van artikel 7:325 lid 5 en lid 6 laatste zin BW. Hetzelfde geldt voor de meer subsidiaire vordering tot verlenging op de voet van artikel 45 lid 2 Pachtwet omdat dat artikel is vervallen, aldus nog steeds de pachtkamer in haar vonnis van 12 november 2008. In dat vonnis heeft de pachtkamer op andere gronden tevens de primaire vordering van pachter en Roebroeck afgewezen. De overwegingen van de pachtkamer laten geen andere lezing toe dan dat de pachtkamer heeft geoordeeld dat verpachtster de overeenkomst tijdig had moeten opzeggen om te bereiken dat deze zou eindigen en dat een verlengingsprocedure niet meer aan de orde kon zijn. De consequentie van het vonnis van de pachtkamer is dat de pachtovereenkomst is blijven doorlopen. Daarom heeft pachter nog steeds belang bij de onderhavige procedure. Aan het voorgaande doet niet af dat dit hof nadien in zijn arrest van 23 maart 2010 (LJN: BM2122) anders heeft geoordeeld over het overgangsrecht en de noodzaak van een verlengingsprocedure terzake een pachtovereenkomst die overeenkomsten vertoont met de pachtovereenkomst tussen onderhavige pachter en verpachtster. Het gezag van gewijsde prevaleert in zoverre omdat het onderhavige arrest betreffende de pachtverhouding tussen partijen niet onverenigbaar zal mogen zijn met het in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 12 november 2008 van de pachtkamer. Op de argumenten van verpachtster over het overgangsrecht en de niet-ontvankelijkheid van pachter en de schoonzoon in hun verlengingsverzoek, die zij gedeeltelijk ook in de verlengingsprocedure heeft aangevoerd, gaat het hof daarom niet in. Het beroep op het gezag van gewijsde van een beslissing brengt immers mee dat de rechter wordt afgesneden van een onderzoek naar en een ander oordeel over het geschilpunt waarover reeds in het eerdere vonnis is beslist. Een andere opvatting zou er bovendien toe leiden dat verpachtster in deze procedure (in feite) alsnog een behandeling in hoger beroep zou kunnen uitlokken van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Het bovenstaande wordt niet anders doordat verpachtster in de veronderstelling verkeerde dat zij vanwege het voor haar gunstige dictum of vanwege andere redenen niet in hoger beroep hoefde of wilde gaan. Die afweging moet voor haar rekening blijven. Het hof beoordeelt vervolgens opnieuw de vorderingen tot medepacht en komt tot hetzelfde oordeel als de pachtkamer in eerste aanleg. Beide hoger beroepen wijst het hof af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen