Hof Arnhem 23 maart 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM2122

7:225, 7:363, 7:370 en 7:371 BW; 217 en 218 Rv; 45 Pachtwet (oud) Dat alleen de pachter indeplaatsstelling kan vorderen, sluit niet uit dat de voorgestelde pachter, vanwege zijn belang bij toewijzing van de vordering, zich aan de zijde van de pachter voegt en een doelmatige uitleg van de artikelen 217 en 218 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering brengt mee dat hij zijn incidentele vordering tot voeging ook kan instellen door reeds bij gelegenheid van de inleidende dagvaarding naast de pachter als rekwirant op te treden en duidelijk te maken dat hij, vanwege zijn belang bij toewijzing van de vordering, zich aan de zijde van de pachter als partij wenst te voegen. In zoverre behoeft de rechtspraak van deze kamer, zoals die tot op heden luidde, nuancering. Overgangsrecht in geval de pachtrechter, met toepassing van oud recht, de pachtovereenkomst heeft verlengd met een kortere duur dan zes jaar. Op grond van algemene beginselen van overgangsrecht, in het bijzonder de eerbiediging van het niet verkregen zijn van een recht, en tegen de achtergrond van de eisen van redelijkheid en billijkheid die het overgangsrecht mede beheersen, acht het hof het meest passend om ervan uit te gaan dat een met toepassing van het oude recht met minder dan zes jaar verlengde pachtovereenkomst onder het nieuwe recht evenmin als onder het oude van rechtswege wordt verlengd en dat de pachter naar analogie van het zesde lid van artikel 7:325 Burgerlijk Wetboek verlenging van een zodanige pachtovereenkomst kan vorderen. Hij dient dat te doen binnen de door de pachtrechter bij zijn beschikking bepaalde termijn, of bij gebreke daarvan binnen een redelijke termijn, dat wil zeggen een zodanige termijn dat recht wordt gedaan aan de belangen van beide partijen en uitzicht wordt geboden op een beslissing op de vordering voorafgaand aan het moment waarop de pachtovereenkomst eindigt. In verband met laatstbedoeld gezichtspunt neemt het hof tot uitgangspunt dat een zodanige vordering ten minste zes maanden voorafgaand aan het moment waarop de pachtovereenkomst eindigt, dient te worden ingesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen