Hof Arnhem 22 juni 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM8465

Toeslagrechten komen bij het einde van de pacht niet aan de verpachter toe. Ter zake van die rechten is de pachter aan de verpachter ook geen vergoeding verschuldigd. Samenvatting: Vervolg van LJN BB4140 Bij tussenarrest heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Bij arrest van 23 januari 2010 (C-470/08) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen die vragen beantwoord. Met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen stond vast dat een verplichting van de pachter om bij het einde van de pacht toeslagrechten aan de verpachter op te leveren of aan hem een vergoeding te betalen, niet volgt uit het recht van de Europese Unie. Inzet van het vervolg van de procedure is de vraag of zo'n verplichting wel uit het nationale recht volgt. Die vraag beantwoordt het hof ontkennend.Op zichzelf voert de Gemeente aan dat het, gelet op de inhoud van het arrest van het Hof van Justitie, thans aankomt op de van nationaal recht. Dat betekent echter niet dat het recht van de Europese Unie -en in verband daarmee de beantwoording door het Hof van Justitie ten grondslag gelegde overwegingen - voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van de Gemeente van geen belang zou zijn. In de eerste plaats brengt het beginsel van gemeenschapstrouw (thans trouw aan de Unie) mee dat het hof gehouden is om het nationale recht de toepassing van de bepalingen van de verordeningen 1782/2003 en 795/2004 doorkruist of in strijd komt met de doelstellingen die de Unie met die verordeningen nastreeft. In de tweede plaats geldt los van het beginsel van gemeenschapstrouw en de verplichting tot conforme interpretatie het volgende. De voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen van de Gemeente relevante bepalingen van nationaal recht bevatten alle een of meer zogenaamde open normen, te weten goed pachterschap (art. 7:347 Burgerlijk Wetboek), redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 Burgerlijk Wetboek), oplevering in goede staat (art. 7:358 Burgerlijk Wetboek) en ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 Burgerlijk Wetboek). Waar het erop aankomt om deze open normen met het oog op de aan een pachter toegekende toeslagrechten te concretiseren, zijn vanzelfsprekend de aard en strekking van die toekenning en het karakter van de toegekende rechten van groot gewicht, zoals zij dat ook zouden zijn ingeval het rechten betrof die het nationale recht aan een pachter toekende. Het hof acht het van wezenlijk belang dat de toekenning van toeslagrechten de voortzetting is van een stelsel van rechtstreekse inkomenssteun die onder meer tot doel heeft om de landbouwbevolking van een redelijke levensstandaard te verzekeren. Voor productierechten geldt dat niet, die dienen de ordening van de landbouwmarkt. Het hof verwerpt de opvatting dat voor productierechten en toeslagrechten vergelijkbare rechten zouden moeten gelden.

De uitspraak op rechtspraak.nl