Hof Arnhem 1 december 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK9415

Rv 220, 1019j, 1019o en 1019q. BW 6:265 en 7:348. Bevoegdheid van pachtrechter op grond van verknochtheid. Wijziging van de bestemming van het gepachte zonder toestemming van verpachtster of vervangende machtiging door de grondkamer. Ontbinding? De omstandigheid dat de pachter een verandering achteraf ongedaan maakt en de kosten daarvan voor zijn rekening neemt, brengt op zichzelf niet mee dat sprake is van een verandering die bij het einde van de pacht zonder noemenswaardige kosten ongedaan kan worden gemaakt als bedoeld in het eerste lid van artikel 7:348 Burgerlijk Wetboek. Voor de beoordeling van de vraag of een wijziging de toestemming van de verpachter behoeft (of in plaats daarvan een machtiging van de grondkamer), is immers de situatie ten tijde van de verandering beslissend. De omstandigheid dat de verandering achteraf ongedaan is gemaakt, kan ook anderszins niet wegnemen dat de pachters voor een wijziging van de bestemming de toestemming van de verpachtster behoefden en dus dat zij zijn tekortgeschoten. Die omstandigheid is intussen wel in ander verband van belang, namelijk voor de vraag of pachters zich terecht erop beroepen dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Tekortkoming in het onderhavige geval van zodanig beperkt gewicht, dat zij de ontbinding van de pachtovereenkomst niet rechtvaardigt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen