Hof Arnhem 24 februari 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI0319
art 6:258 BW, 7:438 BW In een eerder tussenarrest heeft het hof overwogen dat artikel 6:258 BW ook toepassing kan hebben in geval van een pachtovereenkomst, naast de bestaande mogelijikheden die de Pachtwet en thans titel 5 van boek 7 BW bieden. In dit geval gaat het om de wijziging van het Varkensbesluit per 1 januari 2003 waardoor de spleetbreedte van de stallen van de pachter niet meer voldoen aan de daaraan te stellen eisen. In beginsel is het op de weg van de pachter een wijziging van de stalinrichting door te voeren. Deze heeft dat niet gedaan, het land laten liggen en de betaling van de pachtprijs opgeschort. Hij stelt zich in deze procedure op het standpunt dat de verpachter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de ongwijzigde instandhouding van de pachtovereenkomst niet mag verwachten. Het hof heeft een deskundige benoemd om factoren in kaart te brengen die belangrijk zijn bij het oordeel of er gronden zijn toepassing te geven aan artikel 6:258 BW in dit geval, in het bijzonder of van de pachter gevergd kon worden de investering de stallen aan te passen aan het gewijzigde Varkensbesluit te plegen. In onderhavig tussenarrest worden de deskundige een aantal nadere vragen gesteld. Verder acht het hof het van belang of de pachter met zijn verpachter op tijd heeft gesproken over deelname aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken of de Regeling ruimte voor ruimte toen deze openstonden. Deelname daaraan zou volgens de deskundige in dit geval verkieslijker zijn dan het aan laten komen op een investering in de stallen. De pachter krijgt de bewijsopdracht dat hij tijdig overleg heeft gehad met de verpachter, maar dat de verpachter deelname aan de regelingen geweigerd heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl