Hof Arnhem 27 januari 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BH3138
Vastlegging. Gebruik op grond van grondgebruiksverklaring pacht? Zowel naar oud als naar nieuw recht komt het aan op de vraag of het overeengekomen gebruik voldoet aan de wettelijke omschrijving van het begrip pacht en is voor een bevestigende beantwoording niet nodig dat partijen de bedoelding hebben gehad dat het overengekomen gebruik als pacht zou worden gekwalificeerd. Aan de omstandigheid dat partijen voor een grondgebruiksverklaring kozen om de kwalificatie van pacht te vermijden, komt dan ook niet het gewicht toe dat de pachtkamer in eerste aanleg daaraan heeft toegekend. Anders dan verpachtster meent, kan uit de toelichting bij de Regeling landbouwgrond Meststoffenwet (Staatscourant 1997, 248, p 23) niet worden afegeleid dat het de bedoeling van de regelgever is geweest om met de grondgebruiksverklaring een nieuwe gebruiksvorm te creëren die nimmer pacht oplevert. De strekking van de door verpachtster bedoelde passage is klaarblijkelijk dat voor de toepassing van de Meststoffenwet een grondgebruiksverklaring volstaat, onverschillig de kwalificatie volgens de (destijds van kracht zijnde) pachtwet. Een redelijke en op de pratijk afgestemde uitleg van de wet brengt mee dat een beëindiging van het gebruik door de pachter doordat de grond feitelijk door een derde in gebruik is genomen, waarbij bovendien gewas van de pachter zonder diens toestemming is geoogst, niet is te kwalificeren als de feitelijke uitvoering van een pachtbeëindigingsovereenkomst zoals bedoeld in art. 2 lid 3 Pachtwet respectievelijk 7:318 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Een andere opvatting zou leiden tot de onaannemelijke uitkomst dat de verpachter die (al dan niet met behulp van derden) op onrechtmatige wijze een einde maakt aan het gebruik door de pachter, daardoor in een gunstiger positie komt te verkeren. De vordering in reconventie dient ook te worden afegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl