Hof Arnhem 11 maart 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BD1296

Partijen strijden erover of het tegen beter weten in niet nakomen van de meldingsplicht het intreden van het daaraan krachtens artikel 18 sub b van de polisvoorwaarden verbonden rechtsgevolg van verval van het recht op uitkering rechtvaardigt. Evenals bij het bestreden vonnis zal het hof bij de beoordeling van deze vraag tot uitgangspunt nemen de in artikel 7:941 lid 5 BW neergelegde regel van verval van recht op uitkering ingeval van het opzet de verzekeraar te misleiden bij het verschaffen van voor de berekening van de uitkering relevante gegevens, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Van dat artikel en lid kan immers ingevolge het per 1 januari 2006 onmiddellijk toepasselijk geworden artikel 7:943 lid 2 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer worden afgeweken. Het hof noteert hierbij dat ook reeds voor de inwerkingtreding van artikel 7:941 BW die uitzondering als geldend recht werd beschouwd (zie Raad van Toezicht Verzekeringen 8 april 2002, nr 2002/11 Br., Prg. 2002, nr. 5919; HR 3 december 2004, NJ 2005, 160). Blijkens de wetsgeschiedenis van het nieuwe verzekeringsrecht (zie NvW I, Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5, blz. 27-28) zal daarbij als uitgangspunt moeten gelden dat gezien de opzet tot misleiding alleen in bijzondere omstandigheden aangenomen kan worden dat het (gehele) verval van de uitkering niet gerechtvaardigd is. Dit uitgangspunt heeft geen van partijen bestreden. Dienovereenkomstig zal het hof acht slaan op de omstandigheden van het onderhavige geval en aan de hand daarvan beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die het (algeheel) verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigen. RVS bestrijdt met haar grief 1 dat die bijzondere omstandigheden, anders dan [geïntimeerde] stelt en bij het bestreden vonnis is geoordeeld, zich voordoen. Het hof acht de enkele omstandigheid dat de fraude - een begrote waarde van de als vermist opgegeven televisie van € 500,- - slechts een gering deel van de in totaal geclaimde schade - van € 26.000,- - betreft, niet een zodanige bijzondere omstandigheid dat op grond daarvan het algeheel verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd is. Het hof knoopt op dit punt aan bij de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad. Ook in die uitspraak was aan de orde dat de fraude slechts een gering deel van de schade betrof. Het hof in die zaak had (aldus de Hoge Raad) die omstandigheid niet een zodanige bijzondere omstandigheid geacht dat op grond daarvan het verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd was. De Hoge Raad oordeelde dat dat oordeel niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk was en ook geen nadere motivering behoefde. De overige gestelde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang en in verband bezien met de onder 4.10 genoemde omstandigheid van partiële fraude, kunnen evenmin als zodanig bijzonder worden beschouwd dat op grond daarvan het algeheel verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd is. [..]

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen