Hof Arnhem 19 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC6739
BW 7:365; Pachtwet (oud) 50. Ontslag uit medepacht. Volgens het tweede lid van artikel 7:365 Burgerlijk Wetboek kan de verpachter het ontslag uit de pacht vorderen van een medepachter, “die niet of niet meer persoonlijk betrokken is bij de exploitatie van het gepachte”. Onder het oude recht heeft deze kamer geoordeeld dat aan het gelijkluidende criterium van het tweede lid van artikel 50 Pachtwet slechts is voldaan indien de feitelijke exploitatie van het gepachte buiten de desbetreffende medepachter om plaatsvindt en hij daarmee geen enkele bemoeienis (meer) heeft, alsmede dat dit geval zich niet voordoet indien de medepachters het feitelijk gebruik en genot van het gepachte hebben gedeeld, omdat aldus slechts sprake is van een bepaalde wijze van verdeling van de exploitatie van het gepachte door de medepachters en niet van een niet of niet meer bij die exploitatie betrokken zijn van een (of meer) van hen. Het hof verwijst naar zijn arrest van 29 oktober 1990 in de zaak Bogaers c.s./Schoutens c.s. (AgrR 1991, 4464). Het hof ziet noch in de inwerkingtreding van het nieuwe recht, noch anderszins aanleiding om thans van een andere opvatting uit te gaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl