Hof Arnhem 8 januari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC2653
Overgangsrecht; eigen gebruik; gegronde klachten. art. 36 e.v. Pachtwet; art. 7:368 e.v. BW; art. 74 Overgangswet Nieuw BW De rechtbank heeft in eerste aanleg het verzoek van appellant tot verlenging van de pachtovereenkomst afgewezen, op de grond dat de bedrijfsvoering van appellant niet is geweest zoals het een goed pachter betaamt, dan wel het optreden van appellant jegens geïntimeerde in de afgelopen pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten. De pachtkamer in eerste aanleg heeft bepalend geacht de inhoud van een door haar op dezelfde dag tussen partijen gewezen vonnis ten aanzien van de gevorderde ontbinding van de pachtovereenkomst wegens verkoop door appellant van het met het gepachte samenhangende melkquotum. Het hof laat in het midden de vraag of sprake is van de verplichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet. Indien de grieven slagen zal in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog moeten worden beslist op de door geïntimeerde in eerste aanleg aangevoerde stelling dat hij het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen. Die vraag kan het hof reeds nu beoordelen. Conclusie is dat het verlengingsverzoek dient te worden afgewezen nu vaststaat dat geïntimeerde het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik heeft genomen en dat het verlies van het gepachte er niet toe leidt dat de grondslag van het maatschappelijk bestaan van appellant ernstig wordt aangetast. Beslissing ten gunste van verpachter.
De uitspraak op rechtspraak.nl