Hof Arnhem 11 december 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC5112

Over het beroep van Steenoven op toepassing van artikel 6:230 BW overweegt het hof als volgt. De thans nog in hoger beroep aan de orde zijnde vorderingen met betrekking tot de vergoeding aan de zijde van de Gemeente gevallen of vallende kosten hebben uitsluitend betrekking op hogere uitvoeringskosten ter zake van de deelsanering waarover de Gemeente en Steenoven in augustus/oktober 2001 de Overeenkomst hebben gesloten. Steenoven stelt niet dat zij bij het aangaan van die overeenkomst zich de valse voorstelling heeft gevormd dat onverwachte kostenstijgingen bij de deelsanering die zij, met financiële steun van de Gemeente, in eigen beheer zou uitvoeren, deels ten laste van de Provincie of voor meer dan de helft ten laste van de Gemeente zouden komen. Dat lag ook niet voor de hand, want de Provincie had immers van de uitvoering en de kosten van die deelsanering afstand genomen. Tegen deze achtergrond is dan ook niet zonder meer duidelijk welke valse voorstelling Steenoven zich zou hebben gemaakt, nog daargelaten de vraag of daarvan ook bij de Gemeente sprake is geweest. Daarop stuit het beroep op dwaling ex artikel 6:228 lid 1 sub c. BW af. De voorgeschiedenis met de Provincie levert onvoldoende grond op om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de stortkosten ten laste van Steenoven te brengen. Grief I faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen