Hof Arnhem 26 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA9543
Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 4 november 2003, Agr.r. 2006, 5315, inzake [-/-]. De beslissing in bedoeld arrest ziet op het geval dat de pachter tenminste vanaf 1984 varkens heeft gehouden in de hem door de verpachter ter beschikking gestelde varkensschuur. Tegen de achtergrond van de continuïteit die bestaat tussen de diverse opvolgende regelingen van de voor het houden van varkens benodigde productierechten, heeft het hof geoordeeld dat partijen beide aan het ontstaan van het varkensrecht hebben bijgedragen, de pachter door de varkens te houden die hij voor de meitelling van 1984 heeft opgegeven, en de verpachter door de varkensschuur ter beschikking te stellen. Het hof heeft daaruit afgeleid dat de pachter, in verband met het tweede lid van artikel 25 Pachtwet, ter gelegenheid van het einde van de pachtovereenkomst gehouden is tot overdracht aan de verpachter van het tot exploitatie van het gepachte dienende varkensrecht, waartegenover hij aanspraak kan maken op een gedeelte van de waarde van dat recht, welk gedeelte in het algemeen – naar redelijkheid en billijkheid, en rekening houdende met alle omstandigheden van het geval – dient te worden bepaald op 50% van de waarde ten tijde van de overdracht. [..] [geïntimeerde] heeft voorts nog betoogd dat een gedeelte van het varkensrecht niet verhandelbaar is, omdat dit grondgebonden is. [geïntimeerde] heeft hierbij klaarblijkelijk het oog op het tweede lid van artikel 16 Wet herstructurering varkenshouderij, dat inderdaad bepaalde dat het grondgebonden deel van het varkensrecht niet naar een ander bedrijf kan overgaan, maar ziet er ten onrechte aan voorbij dat die bepaling bij de Wet van 10 december 2003 (Stb. 2003, 542), in werking getreden per 6 februari 2004 (Stb. 2004, 38) en dus vóór het einde van de onderhavige pachtovereenkomst per 10 juni 2004, is geschrapt en dat daarmee de overgang van het grondgebonden deel van het varkensrecht mogelijk werd gemaakt. Het hof verwijst naar artikel 16 Wet herstructurering veehouderij en naar het vijfde lid van artikel 18 van die wet, zoals beide bepalingen golden vanaf 6 februari 2004 tot het moment dat de Wet herstucturering veehouderij is ingetrokken, namelijk per 1 januari 2006 (artikel II wet van 15 september 2005, Stb. 2005, 480; inwerkingtreding volgens Stb 2005, 562). Ook in zoverre is het standpunt van [geïntimeerde] derhalve onjuist.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 154 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 25 Pachtwet
- Artikel 34 Pachtwet
- Artikel 8 Varkensbesluit
- Artikel 6 Wet herstructurering varkenshouderij
- Artikel 16 Wet herstructurering varkenshouderij
- Artikel 18 Wet herstructurering varkenshouderij