Hof Arnhem 18 mei 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AP0080

Vordering tot verklaring voor recht dat het de pachter vrijstaat om het met het gepachte samenhangende, structureel “verleaste” melkquotum te verkopen onder afdracht van de helft van de verkoopopbrengst aan verpachter. Hof benadrukt hoofdregel dat het de pachter niet vrijstaat om zonder medewerking van verpachter het met het gepachte samenhangende melkquotum te vervreemden, ook niet indien de pachter aanbiedt de helft van de opbrengst aan verpachter af te staan. Enkele gegeven dat sprake is van een structureel verleast melkquotum maakt dit niet anders. In onderhavige geval heeft pachter echter reëel en substantieel belang bij vervreemding, terwijl verpachters hun gestelde belang bij verkrijging van melkquotum aan het einde van de pacht op geen enkele wijze concretiseren. Hun stellingname wekt de indruk dat hun houding alleen is ingegeven door de wens beëindiging van de pachtovereenkomst te forceren. Vordering tot ontbinding van de pacht is echter afgewezen (procedure met rolnr. 2003/839). Hof wijst vordering pachter toe met dien verstande dat aan verpachters ten minste de helft van de verkeerswaarde moet worden afgedragen en de pachter de kosten van de vervreemding draagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen