Hof Arnhem 10 februari 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AO5931

Nu niet is gesteld of gebleken dat zich enige andere verplichte afwijzingsgrond voordoet, zal op het verlengingsverzoek naar billijkheid in de zin van artikel 38 van de Pachtwet moeten worden beslist. [geïntimeerde] heeft aangevoerd belang bij behoud van het gepachte te hebben, omdat hij bij verlies daarvan voer zal moeten bijkopen en mestproductierechten en mestaf-zetmogelijkheden zal verliezen. [geïntimeerde] heeft ter zitting van het hof evenwel aangegeven dat hij recentelijk een stuk eigen grond aan zijn broer heeft verkocht. Nu hij door die verkoop ook mestproductierechten en mestafzetmogelijkheden heeft verloren, hecht het hof aan [geïntimeerde]s stelling dat hij belang heeft bij behoud van die rechten en afzetmogelijkheden niet veel waarde. Daarbij komt dat hij voer voor zijn vee waarschijnlijk elders en wellicht ook goedkoper kan inkopen. Gelet erop dat [geïntimeerde] over de jaren 2000, 2001 en 2002 negatieve bedrijfsresultaten heeft behaald, welke resultaten slechts ten dele kunnen worden verklaard door de besmetting van zijn koeien met het Bayer-vaccin in 1998 en overigens (net als de financiële consequenties van het verlies van het gepachte voor hem) nauwelijks mondeling door hem zijn toegelicht en al helemaal niet met stukken zijn onderbouwd, komt het hof tot het oordeel dat het belang van [appellant], eruit bestaande dat [appellant] het verpachte binnen zijn (blijkens de door hem overgelegde jaarstukken goed lopende) bedrijf via ruiling kan benutten, zwaarder dient te wegen. Naar billijkheid beslissend zal het hof het verlengingsverzoek dan ook afwijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen